Z
emoties die zijn gekoppeld aan het zelfbewustzijn en de mogelijkheid tot zelf-evaluatie, zoals schaamte, schuld, gêne, vernedering, en trots. Deze emoties ontwikkelen zich bij mensen ongeveer vanaf het tweede levensjaar.
Methode van wetenschappelijk onderzoek waarbij proefpersonen die ondervraagd worden zelf vragenlijsten invullen.
Alle subjectieve positieve en negatieve eigenschappen die we onszelf toebedelen, zoals ‘Ik ben aantrekkelijk’ of ‘Ik ben lui’.
Het actief reguleren van je eigen gedachten, emoties of gedrag.
Zelfidentiteit verwijst naar de percepties die een individu heeft van zichzelf als persoon en kan bijvoorbeeld zijn gebaseerd op bepaald gedrag. Een sterke ‘roker zelfidentiteit’ betekent bijvoorbeeld dat het roken als gedrag belangrijk is voor hoe een roker zichzelf ziet.
het omgaan met de medische, praktische en emotionele aspecten van het hebben van een chronische aandoening of ziekte door de patiënt zelf, zonder professionele ondersteuning
Intern systeem ge-richt op het bewust zijn en registreren van eigen handelingen, cognities, en emoties ('wat doe, denk en voel ik?'). Activering van dit systeem ligt vaak aan de basis van zelfregulerend gedrag.
Een psychologische theorie die beschrijft hoe identiteit wordt gevormd door gedrag.
Hoe tevreden iemand is met zichzelf als persoon.